Beter leren biljarten
De basis is voor carambole, pool en snooker grotendeels hetzelfde. Wie stand, stoot en richten beheerst, wordt in elke spelsoort beter. Dit is het leerpad, in de volgorde waarin je het oefent.
Beter worden begint niet bij moeilijke stoten, maar bij een stabiele stand, een vaste brug en een rechte stoot. Daarna leer je richten en pas dan effect en positiespel. Oefen elke stap tot hij vanzelf gaat.
1. Stand en brug
Sta met je voeten ongeveer schouderbreed, je voorste voet in de richting van de stoot. Je hoofd staat recht boven de keu, je kin laag. Je lichaam beweegt niet tijdens de stoot: alleen je onderarm zwaait, vanuit de elleboog.
De brug is de hand waar de keu over of door glijdt. Een open brug (keu over de duim) is makkelijk om mee te beginnen. Een gesloten brug (wijsvinger om de keu) geeft meer controle bij harde stoten. De afstand van brug tot speelbal is ongeveer 15 tot 20 centimeter.
2. Een rechte stoot
De meeste missers komen niet van verkeerd richten, maar van een keu die zijwaarts beweegt. Houd de keu losjes vast, maak een paar rustige oefenhalen en stoot door de speelbal heen. Blijf na de stoot even liggen tot de bal stilligt.
Oefening: leg de speelbal op de voetstip en stoot hem recht over de lange as naar de korte band en terug. Komt hij terug over je keu, dan was je stoot recht.
3. Richten
Om een bal ergens heen te laten lopen, moet je speelbal hem raken op het punt tegenover de richting waarin hij moet gaan. Veel spelers werken met de gedachte bal: stel je een bal voor die precies tegen de aanspeelbal ligt, in de lijn naar de pocket. Richt je speelbal op het midden van die gedachte bal.
Bij carambole werk je met hetzelfde principe, maar dan richt je op hoe de speelbal na het raken verder loopt naar de derde bal.
4. Effect
- Trekken: raak de speelbal onder het midden. Na het raken van de aanspeelbal komt hij terug.
- Doorlopen: raak boven het midden. De speelbal loopt na het raken door.
- Zijeffect: raak links of rechts van het midden. Dat verandert de hoek waarmee de speelbal van een band komt. Let op: met zijeffect wijkt de speelbal ook iets af van de richting waarin je stoot.
Begin met trekken en doorlopen. Zijeffect voeg je pas toe als je stoot recht is. Een goed gekrijte pomerans is hierbij onmisbaar; zonder krijt glijdt de keu weg.
5. Positiespel
Een goede speler denkt niet aan de bal die hij nu speelt, maar aan de volgende. Positiespel is de speelbal na elke stoot zo neerleggen dat de volgende stoot makkelijk is. Snelheid bepaalt daarbij meer dan effect: de meeste positie los je op door zachter of harder te stoten.
6. Oefeningen per niveau
| Niveau | Oefening | Doel |
|---|---|---|
| Beginner | Speelbal over de lange as heen en terug | Rechte stoot |
| Beginner | Tien keer dezelfde rechte bal in de pocket | Richten zonder hoek |
| Gevorderd | Rechte bal potten en de speelbal laten stoppen, terugtrekken of doorlopen | Effect onder controle |
| Gevorderd | Drie ballen in een lijn wegspelen zonder de speelbal met de hand te verleggen | Positiespel |
| Ervaren | Een volledig rack opruimen in een vaste volgorde | Planning en snelheid |
Dieper in de techniek
Voor de natuurkunde achter effect, afwijking en bandstoten is Dr. Dave Pool Info van professor David Alciatore de meest complete Engelstalige bron, met honderden video's in slow motion.