Een aanspeelbal loopt weg in de lijn door het midden van beide ballen op het moment van raken. Je richt daarom niet op het raakpunt zelf, maar op de plek waar het midden van je speelbal moet zijn: de gedachte bal, die tegen de aanspeelbal ligt in de lijn naar de pocket.
Raakpunt en gedachte bal
Trek in gedachten een lijn van de pocket door het midden van de aanspeelbal. Waar die lijn aan de achterkant uit de bal komt, zit het raakpunt. Daar moet je speelbal de aanspeelbal raken.
Het lastige is dat je keu niet op dat raakpunt moet wijzen. Als je keu op het raakpunt richt, raakt de speelbal de aanspeelbal op een andere plek, want de speelbal heeft zelf ook een straal. Daarom gebruik je de gedachte bal.
- Zoek het raakpunt op de aanspeelbal.
- Stel je een tweede bal voor die precies tegen dat raakpunt ligt, in het verlengde van de lijn naar de pocket.
- Richt het midden van je speelbal op het midden van die gedachte bal.
Dat werkt voor pool en snooker. Bij carambole is het principe hetzelfde, alleen denk je daar vooral na over waar de speelbal na het raken heen loopt.
Dik en dun
Biljarters praten over hoe vol je een bal raakt.
| Term | Wat het is | Waar de aanspeelbal heen gaat |
|---|---|---|
| Vol of recht | Speelbal raakt de aanspeelbal midden op | Rechtdoor |
| Dik | Grote overlap tussen beide ballen | Kleine hoek |
| Halve bal | De rand van de speelbal wijst op het midden van de aanspeelbal | Ongeveer 30 graden |
| Dun | Kleine overlap, net aantikken | Grote hoek, bijna dwars |
De halve bal is een handig ijkpunt. Je richt dan het midden van je keu op de rand van de aanspeelbal. Hoeken kleiner dan dat raak je dikker, grotere hoeken dunner.
Dunne ballen zijn het lastigst. Een klein verschil in richten geeft daar een groot verschil in de richting van de aanspeelbal.
Waarom een bal soms net mist: throw
Als twee ballen elkaar schuin raken, schuren ze even langs elkaar. Door die wrijving wordt de aanspeelbal een klein beetje meegenomen in de richting waarin de speelbal beweegt. Dat heet contact-induced throw. Het effect is klein, maar bij een lange stoot kan het net het verschil zijn tussen de pocket en de band.
- Throw is het grootst bij zachte, schuine stoten.
- Zijeffect op de speelbal kan de throw vergroten of juist opheffen.
- Schone, gepoetste ballen geven minder throw dan vuile.
Je hoeft dit niet uit te rekenen. Merk je dat je zachte, schuine stoten telkens aan dezelfde kant missen, dan is throw een waarschijnlijke reden. Richt dan iets dunner. Wil je het precies weten, kijk dan bij Dr. Dave Pool Info.
Kijken tijdens de stoot
Tijdens de oefenhalen kijk je afwisselend naar de speelbal en de aanspeelbal. Op het moment van stoten kijken de meeste spelers naar de aanspeelbal, of precies naar het raakpunt. Kies één manier en houd die vast. Wisselen tijdens de stoot maakt je onrustig.
Oefeningen
- Rechte ballen. Leg een aanspeelbal op een halve meter van een hoekpocket en de speelbal in dezelfde lijn. Tien keer. Vergroot daarna de afstand.
- De halve bal. Leg een bal zo dat hij met een halve bal in de pocket gaat. Richt telkens op de rand. Zo leer je hoe die hoek eruitziet.
- De waaier. Leg een aanspeelbal vlak voor de pocket. Leg de speelbal telkens op een andere plek in een halve cirkel eromheen. Elke plek geeft een andere hoek.
- Dunne ballen. Leg de aanspeelbal langs de band naar een hoekpocket en speel hem dun aan. Stoot zacht en kijk of throw meespeelt.
Houd bij hoeveel van de tien er vallen. Dan zie je vooruitgang, ook als het niet zo voelt. Meer oefeningen staan bij oefeningen per niveau.
Bronnen: algemeen gangbare richtmethode bij pool en snooker. Voor throw en de natuurkunde van het raken: Dr. Dave Pool Info. Laatst gecontroleerd september 2026.