Home / Techniek / Mythes

Tien mythes over biljarten

Aan elke biljarttafel hoor je adviezen die logisch klinken maar niet kloppen. Hier zijn er tien, met hoe het echt zit. Voor de natuurkunde erachter verwijzen we naar het werk van professor David Alciatore.

De meeste biljartmythes gaan over effect: dat je hard moet stoten om te trekken, dat doorstoten de bal nog stuurt, of dat je zijeffect kunt doorgeven aan een andere bal. Geen van drieën klopt. Wat telt is waar en hoe snel de pomerans de speelbal raakt, in het korte moment dat ze elkaar raken.

1. Voor trekken moet je hard stoten

Hoe het zit: trek komt van een laag raakpunt en een vloeiende stoot, niet van kracht. Op korte afstand trek je een bal met een zachte stoot prima terug. Snelheid heb je pas nodig bij een grotere afstand, omdat het laken de terugdraai onderweg afremt. Wie hard slaat, verliest vaak juist controle en raakt de bal niet laag genoeg.

2. Doorstoten stuurt de bal nog na het raken

Hoe het zit: de pomerans raakt de speelbal maar een fractie van een seconde. Wat de keu daarna doet, heeft geen invloed meer op de bal. Doorstoten is wel nuttig, maar om een andere reden: wie doorstoot, versnelt rustig tot het raakmoment en houdt de keu recht. Wie afremt richting de bal, stoot onregelmatig.

3. Je kunt zijeffect doorgeven aan de aanspeelbal

Hoe het zit: de ballen raken elkaar zo kort en zo glad dat er nauwelijks draaiing wordt overgedragen. De aanspeelbal krijgt een heel klein beetje draaiing de andere kant op mee, en wordt iets uit zijn lijn geduwd. Dat laatste heet throw. Maar een aanspeelbal met merkbaar effect van de band laten komen, dat lukt niet.

4. Je richt je keu op het raakpunt

Hoe het zit: je richt het midden van de speelbal op de plek waar dat midden moet zijn bij het raken: de gedachte bal. Richt je de keu op het raakpunt zelf, dan raak je de aanspeelbal te dik, behalve bij een rechte bal. Zie richten.

5. Met zijeffect richt je gewoon hetzelfde

Hoe het zit: een speelbal die je links of rechts raakt, schiet een klein beetje weg van je stootlijn, de andere kant op dan het effect. Onderweg buigt hij weer iets terug. Hoeveel het netto scheelt, hangt af van je keu, de afstand en de snelheid. Richt je met zijeffect op dezelfde plek als zonder, dan mis je dus vaak. Zie effect.

6. De speelbal gaat na het raken altijd haaks weg

Hoe het zit: dat geldt alleen als de speelbal op het moment van raken glijdt, zonder voor- of achterwaartse draaiing. Een rollende speelbal buigt af naar voren, met trek buigt hij naar achteren. Bij een normale, rollende bal rond een halve bal is de hoek ongeveer 30 graden in plaats van 90. Zie positiespel.

7. Hoek in is hoek uit

Hoe het zit: als vuistregel is het een goed begin, maar het klopt zelden precies. Effect, doorloop of trek, snelheid en de staat van de banden veranderen de hoek. Een bal met effect in zijn looprichting komt breder van de band, met effect ertegenin steiler. Zie bandstoten berekenen.

8. Krijt heb je alleen nodig bij effect

Hoe het zit: krijt zorgt voor grip tussen pomerans en speelbal. Je raakt de speelbal vaker iets naast het midden dan je denkt, en ook dan kan een pomerans zonder krijt wegglijden. Krijt daarom regelmatig. Strijk het krijt met lichte halen over de pomerans in plaats van de keu erin rond te draaien. Draaien geeft een ongelijke laag en slijt het krijtje uit.

9. Springen doe je door onder de bal te stoten

Hoe het zit: een bal laten springen door de pomerans onder de bal te schuiven, is volgens de WPA-regels een fout. Een legale sprongstoot maak je door de speelbal met een schuin geheven keu van boven te raken, zodat hij tegen het laken wordt gedrukt en omhoog kaatst. Doe dat alleen als het mag: op veel tafels is springen niet gewenst omdat een mislukte poging het laken kan beschadigen.

10. Hoe harder je stoot, hoe zekerder de bal valt

Hoe het zit: een langzame bal heeft juist meer ruimte. Een zacht rollende bal kan nog in de pocket vallen als hij de rand van de pocket raakt. Een harde bal ketst daar eerder uit. Daarnaast is een harde stoot minder nauwkeurig en laat hij de speelbal ver doorlopen. Stoot zo zacht als de positie toelaat.

Waar komen deze mythes vandaan?

De meeste ontstaan doordat iets in de praktijk wel lijkt te werken, maar om een andere reden. Hard stoten voor trek werkt soms, omdat je dan vanzelf doorstoot. Doorstoten helpt, omdat je dan niet afremt. Het advies is dus niet altijd fout, alleen de verklaring. Wie de echte reden kent, kan gerichter oefenen.

Wil je het zelf zien? Dr. Dave Pool Info heeft voor de meeste van deze onderwerpen slowmotionvideo's en metingen.

Bronnen: Dr. Dave Pool Info (David Alciatore) voor de natuurkunde; World Pool-Billiard Association (WPA), World Standardized Rules, voor de sprongstoot. Laatst gecontroleerd september 2026.